vorige - 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 [overzicht] - volgende

07/12/2009 - Het Minarettenverbod en wat we daar kunnen uit leren

Jammer dat Zwitserland geen lid is van de Europese Unie. Dan had men de Zwitsers kunnen verplichten hun referendum over te doen tot ze juist stemden, zoals tweemaal met de Ieren gebeurde.

Wat hebben de Helveten over zich heen gekregen sinds ze tegen minaretten stemden. En sommige van de argumenten waarmee ze nu om de oren geslagen worden, zijn wel heel vreemd. Een ervan, dat zaterdag op deze opiniepagina's te lezen viel, is dat we niets over minaretten moeten zeggen omdat de christenen vijf eeuwen geleden heel veel foute dingen gedaan hebben.

Kijk, dat de Zwitsers daar niet aan gedacht hebben. Of misschien hebben ze er wel aan gedacht. En vonden ze een dergelijk argument totaal irrelevant omdat iedereen vijf eeuwen geleden dingen deed die we nu heel erg fout vinden.

Misschien vonden veel Zwitsers het relevanter te kijken naar wat er vandaag de dag gebeurt. Misschien stemt het ze onbehaaglijk dat Saudi-Arabië de grote geldschieter is van de bouw van moskeeën overal ter wereld, terwijl dat land het soort ondemocratische, fundamentalistische maatschappij is dat we hier zelfs eeuwen geleden niet hadden, en dat we zeker niet willen. Of misschien is het correcter te zeggen dat de vrouwen helemaal niets zien in een maatschappij waarin hun seksegenoten nog veel minder rechten hebben dan de Zuid-Afrikaanse zwarten onder het apartheidsregime. De wijze waarop veel zich progressief noemende mannen zelfs de boerka of de haatuitbarstingen van de heer Ahmadinejad vergoelijken, lijkt immers maar te verklaren door heimwee naar een maatschappij waarin de vrouwen nog hun plaats kennen.

Misschien ergerde het veel Zwitsers dat landen die ons de les spellen over 'islamofobie' en een gebrek aan tolerantie zelf geen enkele vorm van verdraagzaamheid kennen jegens andere erediensten. Misschien werkte het ze op de zenuwen dat landen die ons verketteren wegens onvriendelijkheid voor immigranten zelf hun gastarbeiders als koelies, zoniet als slaven behandelen.

Dat alles is natuurlijk nog geen reden om tegen minaretten te stemmen in een land waar er hoop en al vier staan. De bouw van welke toren dan ook is overigens een kwestie die in het urbanisme thuishoort, niet in de grondwet.

In al de kritiek die over de Zwitsers is uitgestort wordt wel een vraag over het hoofd gezien. Hoe komt het dat een dergelijk idioot voorstel voor een referendum de benodigde honderdduizend handtekeningen haalde? En hoe komt het dat dat voorstel, tegen alle verwachtingen in, een massale 57 procent ja-stemmen kreeg? Je kunt er zeker van zijn dat een voorstel tegen kerktorens of boeddhistische tempels of synagogen niet van de grond zou zijn gekomen.

De uitslag in Zwitserland is het zoveelste teken van het probleem van integratie in Europa. Niet van 'de islam', maar van een versie ervan die zich opstelt als onverzoenbaar met democratie en moderniteit. Het helpt niet dat gegeven te willen ontkennen. Er is integendeel een veel opener en serener debat over nodig, ook hier te lande. Het moet mogelijk zijn de integratieproblemen te berde te brengen zonder de aantijging van islamofoob of racist naar het hoofd te krijgen. Het moet evenzeer mogelijk zijn de aanspraken van moslims te verdedigen zonder van verraad van de westerse cultuur beschuldigd te worden. En laten we het debat in godsnaam houden in termen van vandaag, zonder er de kruisvaarten of de reconquista bij te sleuren.

De uitslag in Zwitserland legt nog een ander fenomeen bloot: de kloof tussen het volk en de elites. Die kloof was al duidelijk tijdens de Koude Oorlog, toen een goed deel van onze elites de communistische systemen van Oost-Europa meende te moeten verdedigen, terwijl het gewone volk vaststelde dat die systemen toch echt niet deugden, en van de 'geschiedenis' dan nog gelijk kreeg ook.

De jongste jaren zegden Ieren, Fransen en Nederlanders in referendums neen aan 'Europa', terwijl een groot deel van hun elites dat Europa juist aanprezen. En wie zou durven te zweren dat een referendum over minaretten in andere West-Europese landen een andere uitslag zou kennen dan in Zwitserland, waar de elite ook anders dacht van het volk?

Eén conclusie ligt dan ook voor de hand na die nieuwe foute uitslag van een volksraadpleging. Ofwel moet men de referendums afschaffen, ofwel het volk.

© De Standaard – Mia Doornaert
 

12/11/2009 - Last Men Standing: de 3 laatste oudstrijders uit WO1

Sinds enige jaren krijgt de herdenking van het einde van WO1 weer de verdiende aandacht. Het wegvallen van de laatste getuigen die de “groote oorlog” zelf meemaakten is daar allicht niet vreemd aan. Er zijn op vandaag nog welgeteld drie, toevallig geallieerden: een Brit, een Canadees en een Amerikaan. In 2008 overleden de twee laatste veteranen die aan de andere kant hadden gestaan: Franz Künstler (Oostenrijk-Hongarije) en Yakup Satar (Turkije).

Claude Choules (geboren op 3 maart 1901 te Wyre Piddle in Worcestershire) is de de laatste Britse veteraan sinds het overlijden van Harry Patch op 25 juli 2009 (zie archief van deze webstek).
Claude, zoon van Harry en Madeline Winn vervoegde in 1916 de Britse Marine en diende eerst op het opleidingsschip HMS Circe in Plymouth. In 1917 vervoegde hij de HMS Revenge, het toenmalige vlaggeschip van een Squadron van de Britse vloot. Vanop de Revenge was Choules getuige van de overgave van de Duitse vloot bij de monding van de Schotse rivier Forth, 10 dagen na de wapenstilstand in 1918. Later, op 21 juni, zag hij met eigen ogen hoe de Duitse marine besloot zijn eigen schepen allemaal tot zinken te brengen in Scapa Flow, eerder dan ze over te dragen aan de geallieerden.
Na WO1 bleef Choules in de marine en in 1926 werd hij “uitgeleend” aan de Australische zeemacht samen met 11 andere ervaren zeemannen, als instructeur. Choules vond het leven in Australië best aangenaam en vroeg om definitief naar de Australische zeemacht overgeplaatst te worden. Hij gaf er les over torpedo’s en jacht op onderzeeërs en nam in 1940 opnieuw actief deel aan de tweede wereldoorlog, deze keer als Chief Demolition Officer in de havenstad Fremantle. Choules ging in 1956 met pensioen en bleef in Perth wonen met zijn gezin. Hij was er 80 jaar (!!) getrouwd met Ethel (het op 31 na langst lopende huwelijk ooit) en heeft 3 kinderen, 11 kleinkinderen en 22 achterkleindkinderen.
Hoewel hij de enige veteraan is die nog gevochten heeft in twee wereldoorlogen, was Claude nooit tuk op herdenkingsplechtigheden. Die verheerlijken de gruwel van de oorlog te veel, vindt hij.

John Babcock (°23 juli 1900 in Ontario) is de laatste Canadese oudstrijder van WO1, hoewel hij nooit aan het front heeft gediend.
John had geen makkelijke jeugd als één van de 13 kinderen uit een gezin waar de vader in 1906 door een ongeluk bij het houthakken het leven had verloren. Zo was scholing geen prioriteit en ging John voornamelijk vissen met vrienden in plaats van les te volgen, een jeugdzonde die hij veel later nog goedmaakte door op zijn 95ste eindelijk zijn diploma basisschool te behalen.
Bij het uitbreken van de oorlog, wilde de toen 13 jarige Babcock zich dolgraag aanmelden als soldaat, maar hij werd geweigerd omdat hij nog te jong was. Twee jaar later, toen het Canadese leger zware verliezen had geleden, was men was minder kieskeurig en mocht hij toch in dienst, ondanks het feit dat hij nog helemaal geen 19 was, zoals de wet dat voorschreef. Door nog een keer te liegen over zijn leeftijd kon John inschepen naar Groot Brittanië, waar hij aan zijn opleiding begon. Uiteindelijk werd zijn jonge leeftijd toch ontdekt en mocht hij niet mee naar het front. Babcock werd uiteindelijk ingezet in een eenheid die “te jonge” soldaten groepeerde en bleef hij in opleiding tot aan het einde van de oorlog.
Na de oorlog keerde hij terug naar Canada, emigreerde in 1920 naar de VS en ging er aan de slag als electricien. Hij trouwde er met Elsie en toen die overleden was, trouwde hij met de 30 jaar jongere Dorothy, die zijn zieke vrouw had verpleegd. Op zijn 65ste behaalde hij zijn vliegbrevet en op zijn 100ste publiceerde hij een boek over zijn eigen leven: Ten Decades of John Foster Babcock”. Babcock mag dan wel de oudste WO1 veteraan zijn die nog leeft, hij is nog steeds in goede gezondheid en wandelt nog dagelijks in het park bij zijn woonplaats. Hij heeft een zoon, een dochter, 8 kleinkinderen en 5 achterkleinkinderen.
Ook John is net als Claude Choules nooit naar herdenkingen geweest, eenvoudigweg omdat hij zichzelf geen echte veteraan vond te midden van al die mannen die wél aan het front gestreden hadden.

Frank Buckles (° 1 februari 1901 te Bethany, Missouri) is de laatste levende Amerikaanse oudstrijder uit WO1.
Toen de Verenigde Staten in 1917 Duitsland de oorlog verklaarden meldde hij zich meteen aan voor het leger. Hoewel hij pas 16 was, raakte hij met een sterk staaltje bluf door de selectie: Toen men hem niet geloofde dat hij 18 was en hem naar een geboortecertificaat vroeg, antwoordde hij dat er in de staat Missouri nog geen geboortecertificaten waren en dat het enige bewijs een briefje was in de bijbel van zijn familie, maar hij had geen zin om de bijbel op te halen. De wervers lieten hem doorgaan ...
Na een klein probleem met de fysieke test (hij was te klein) werd hij definitief opgenomen in het leger. Nog datzelfde jaar werd hij naar Frankrijk gestuurd op de RMS Carpathia (hetzelfde schip dat de overlevenden van de Titanic had opgevist). In Frankrijk reed hij met ambulances en motorfietsen achter het front. Na de Duitse overgave leidde Buckles Duitse krijgsgevangenen terug naar Duitsland.
In de jaren ’20 ging hij aan de slag bij de White Star Line rederij in Canada en zijn werk later, bij een andere rederij, bracht hem naar de Filipijnen, waar hij in 1942 werd opgepakt door de Japanse invallers. Hij kwam terecht in een gevangenenkamp in Los Baños. Hij overleefde er drie jaar, tot het kamp bevrijd werd op 23 februari 1945. Net op tijd, want Frank woog nog amper 50 kg en leed aan beriberi.
Buckles is sinds 1999 weduwnaar en heeft één dochter. Een actie van vrienden, om hem het recht toe te kennen begraven te mogen worden op Arlington, kreeg geen gehoor tot millionair en voormalig presidentskandidaat Ross Perot zich met de zaak bemoeide. Perot ging met de vraag naar het Witte Huis en op 19 maart 2008 kreeg hij toestemming om begraven te worden op Arlington National Cemetery zodra hij overlijd. Hij woont momenteel in Charles Town, West Virginia.